Veiligheidsaarding (PE) en functionele aarding (FE)

Veel apparatuur en machines zijn geaard, dus beschermingsklasse I. Dat is nodig omdat bij een eerste fout geen elektrisch gevaar mag ontstaan. Als de metalen behuizing door een defect onder een elektrische spanning komt te staan moet in de groepenkast (schakel- en verdeelinrichting) meestal binnen 0,2 of 0,4 seconden automatisch de spanning worden afgeschakeld. Dit gebeurt door smeltpatronen of installatieautomaten, waarbij een aardlekschakelaar als aanvullende beveiliging kan functioneren.

Door de verschillende kleuren van isolatie is het verschil tussen een veiligheidsaarding (PE) en functionele aarding (FE) duidelijk zichtbaar.

Ook de vorm van de FE-geleider kan van belang zijn. Als de sprake van hoogfrequentie wordt een platte geleider (lidze) toegepast omdat de hoogfrequente stromen aan de buitenzijde van de geleider lopen. Bij een platte geleider met dezelfde kerndoorsnede (oppervlakte) is er mee ‘buitenkant’ dan bij een ronde geleider, die heeft meer ‘binnenkant’.

Doorlussen ja/nee?

Een veiligheidaarding (PE) komt vanuit een centraal punt en mag niet worden doorgelust. Het mag niet voorkomen en bij een onderbreking van de veligheidsaarding een deel van de apparatuur niet meer is geaard. Als men om praktische reden wel gaat doorlussen is de lus aan beide kanten aangesloten op de aardrail.

Bij een functione aarding (FE) kan doorlussen of vermazen wel voordelen opleveren. Je moet ook rekening houden met EMC (Elektro Magnetische Compatibliteit). Magnetische velden vanuit het apparaat of vanuit de machine zelf of van buitenaf mogen de goede werking niet verstoren. Het ene apparaat mag het andere apparaat niet verstoren.

Meten volgens de NEN 3140

Als de kiosk/informatiezuil in de bovenstaande afbeelding als elektrisch arbeidsmiddel wordt gezien moet deze bij oplevering en later periodiek worden geinspecteerd. Visueel en door meting en beproeving.

De NEN 3140 schrijft voor:

  • het meten van de weerstand van de beschermingsleiding(en) (PE);
  • het meten van de isolatieweerstand of de reële lekstroom;
  • het meten van de aanspreektijd van de aardlekschakelaar (die in de kiosk zit) en de controle van de goede werking van de testknop van die aardlekschakelaar.

Vanwege de elektronica ten opzichte van aarde in deze kiosk meten we geen isolatieweerstand, maar meten we de reële lekstroom. Dat is vaak de verschilstroom. De tester ziet geen verschil tussen een lektroom (PE) ten gevolge van een defect en de functionele lekstroom (FE). Dat kan leiden tot het aflezen van een wat hogere lekstroom terwijl er geen defect is omdat de lekstroom grotendeels een functionele lekstroom kan zijn. Als het goed is staan de lekstromen in het technisch constructiedossier van de CE-markering. Normaal mag de reële lekstroom (klasse I) volgens de NEN 3140 maximaal 1 mA zijn, maar soms ook 7 mA of 15 mA.

Plaats een reactie